Vier vragen aan Marjanne van Drie over kansengelijkheid
Waar komt jouw drive vandaan om je in te zetten voor kansengelijkheid?
“Mijn motivatie komt deels voort uit mijn achtergrond. Ik ben opgegroeid in een warm en liefdevol arbeidersgezin. Vanuit de basisschool werd ik destijds geadviseerd om naar de MAVO te gaan ondanks hoge Cito score. De verwachtingen lagen niet hoog. Mijn ouders gaven mij alle kansen en ondersteuning om mijn pad te volgen om mij verder te ontwikkelen. Die ervaring vormt de diepere laag van mijn betrokkenheid. Daarnaast werd ik, toen ik als schoolleider begon, geconfronteerd met de realiteit dat niet iedereen alles kan bereiken wat ze graag willen bereiken. Dat besef heeft ,mijn verlangen versterkt om actief bij te dragen aan een onderwijssysteem waarin elk kind gelijke kansen krijgt.”
In hoeverre speelt kansengelijkheid een rol in jouw dagelijkse werkpraktijk?
“Het speelt een grote rol. Kansengelijkheid is een kernwaarde in alles wat ik doe. Ik geloof dat ieder kind, iedere jongere, de kans moet krijgen om zijn potentieel te ontdekken en de kans moet krijgen om deze te ontwikkelen. In vergaderingen en overleggen breng ik het onderwerp kansengelijkheid bewust op tafel, omdat ik een stem wil zijn voor deze leerlingen. Als ambassadeurs wil ik het thema kansengelijkheid op alle scholen onder de aandacht brengen. We zetten onderwerpen als vrijwillige ouderbijdrage, overgang PO naar VO op de agenda en instroom en de uitstroom van leerlingen op de agenda. Zo proberen we een stuk bewustwording te creëren op scholen en het gesprek aan te gaan.
Ik zie het als een uitdaging om juist op de scholen waar kansengelijkheid niet een standaard thema is bewustwording te creëren. Het gaat niet alleen om extra ondersteuning zoals bijles of remedial teaching. Het gaat erom dat leerlingen gezien worden en dat er respect is voor hun thuiscultuur. Niet om de schoolcultuur aan te passen, maar om bruggen te slaan tussen verschillende leefwerelden. Hoe geef je dat een plek binnen je school? Gelukkig leeft het thema het kansengelijkheid ook binnen het bestuur en hebben we hierover waardevolle gesprekken.”
Wat zijn volgens jou de grootste obstakels voor leerlingen in een kwetsbare positie?
“Kinderen uit midden- en hogere klassen groeien vaak op in een taalrijke omgeving. Ze beschikken over een bredere woordenschat en kunnen gemakkelijker betekenis geven aan woorden door hun ervaringen. Leerlingen uit kwetsbare gezinnen hebben vaker te maken met armoede, geldproblemen en soms ook met geweld en agressie. Hierdoor is er minder ruimte voor nieuwe positieve ervaringen, zoals een bezoek aan het theater of museum.
Als scholen moeten we wel oppassen voor het overnemen van zorgtaken. Scholen vangen veel signalen op maar hebben niet de tijd en expertise om dit op te pakken. Het is belangrijk om grenzen te stellen en bewust te zijn dat onze primaire taak het bieden van goed onderwijs is. Natuurlijk raakt het de professional, maar je moet voorkomen dat je wordt meegezogen. Het systeem rondom hulpverlening is helaas complex en gefragmenteerd. Ik kan me een situatie herinneren waarin we met zoveel hulpverleners in gesprek waren dat de personeelskamer bijna te klein was. Wat er dan gebeurt is dat iedereen naar elkaar kijkt en er niks van de grond komt. Sommige gemeentes maken hier gelukkig al andere keuzes in.”
Wat kunnen we wel doen in het onderwijs en binnen OOZ?
“We moet voorwaarden creëren waarin het kind tot leren kan komen. Daarbij hoort ook het gesprek met ouders over vervolgstappen wanneer een kind meer potentie heeft. Hoewel we als organisatie al veel mooie initiatieven hebben, moeten we alert blijven en niet te snel tevreden zijn. Teveel leunen op bestaande successen kan ons beperken in het zien van nieuwe kansen. Het is belangrijk om successen te vieren, maar tegelijkertijd een open houding te behouden, altijd blijven zoeken naar verbetering en vernieuwing.”