Drie vragen aan Bob Haze over kansengelijkheid in het onderwijs

Wat betekent kansengelijkheid voor jou in het onderwijs?
“Het geven van goed onderwijs. We werken er elke dag aan om goed onderwijs te geven. Dat betekent dat we hoge verwachtingen hebben van kinderen, we kijken wat werkt volgens onderzoek en wat werkt in onze context. Maar we kijken ook verder dan alleen schoolprestaties.

Ik vind het belangrijk dat kinderen niet alleen leren lezen en rekenen, maar ook zichzelf leren kennen. Wat vind ik leuk? Waar ben ik goed in? Wat vind ik lastig? Op die manier werken we op school aan persoonsvorming, zodat ieder kind zich kan ontwikkelen tot wie hij of zij wil en kan zijn. Ook de naschoolse activiteiten die we op SBO de Sluis organiseren zijn een manier om dit doel te bereiken.”

Hoe is kansengelijkheid zichtbaar in jouw werkpraktijk?
“We kijken vooral naar wat kinderen écht nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen. Een belangrijk voorbeeld hiervan is praktisch leren: we zorgen ervoor dat ons onderwijs aansluit bij de manier waarop kinderen het beste leren. We bieden een passend aanbod, afgestemd op de behoeften van onze leerlingen.

Daarbij hebben we veel ondersteuning in huis. Denk aan een kwaliteitscoördinator, onderwijsondersteuners, een fysiotherapeut en een orthopedagoog. Ook werken we samen met initiatieven zoals het Jeugdeducatiefonds en bieden we naschoolse activiteiten aan. Kinderen lunchen op school, er is rust en structuur gedurende de dag. We creëren de basisvoorwaarden die nodig zijn voor ieder kind om zich optimaal te ontwikkelen.”

Wat moeten ze volgens jou binnen OOZ veranderen om kansengelijkheid te bevorderen?
“Als we echt werk maken van inclusiever onderwijs, zodat reguliere scholen beter kunnen ondersteunen wat elk kind nodig heeft, zetten we een enorme stap vooruit. Het is een ingewikkeld proces, alle scholen zijn heel goed in wat ze doen en ingericht om een bepaalde doelgroep wel (of juist niet) te onderwijzen. Als we uit onze bubbels stappen en alle kinderen thuisnabij van onderwijs kunnen voorzien heeft dat een enorme impact op kansengelijkheid verwacht ik.

Wat ik ook belangrijk vind, is dat we onze aannames over kinderen blijven toetsen. Zeg ik dit omdat ik de thuissituatie ken, of zeg ik dit omdat het écht is wat het kind nodig heeft om te groeien? Uiteindelijk gaat het erom dat we goed onderwijs bieden aan álle kinderen. Dáármee help je ze het meest.”

Ga naar de inhoud